De foto vanaf de NijeFeansterwei bij het naambordje. Let op de glooiing van het landschap. Minstens 1 meter verschil in het weiland rond de pingo.
Klik hier voor algemene informatie over het gebied.
Pingoruïne
Wat blijkt? Het Ganzemeer is helemaal geen Pingo, maar een Pingoruïne. Het verschil tussen een Pingo en Pingoruïne wordt door Roel v.d. Brug duidelijk uit de doeken gedaan in een artikel op de website van de Natuerferiening Bakkeveen, waaruit het volgende citaat is:
“Na de Saalien ijstijd is het ca. 20.000 jaar warm geweest (het relatief warme Eemien
), zelfs warmer dan nu. Daarna zakte de temperatuur weer. Van de laatste ijstijd, (Weichselien) vinden we ook sporen in onze omgeving hoewel het ijs niet tot hier komt.
De gemiddelde jaartemperatuur daalde behoorlijk. Dit had tot gevolg dat bossen verdwenen en plaats maakten voor een toendra-begroeiing. Tijdens de extreem koude fasen was het hier zelfs een poolwoestijn. Met ups en downs duurde deze barre periode tot 14.650 jaar geleden. Tijdens deze laatste zeer koude periode zijn de Pingo’s ontstaan. Een pingo is een heuvel die ontstaan is doordat een ondergrondse ijslens aangroeit, gevoed door grondwater dat de bodem heeft opgedrukt. Die grond glijdt er tijdens het smelten vanaf en blijft liggen als een ringwal, met in het midden een kratervormig gat, gevuld met water (= een pingo ruïne).
Het Ganzemeer onder Bakkeveen is één van de grootste in onze omgeving, de boerderij staat op de ringwal en ook de weg loopt gedeeltelijk over de ringwal. Op de AHN-hoogte kaart duidelijk zichtbaar.
Pingoruïnes vinden we voornamelijk terug in het noorden en oosten van ons land. In de Duurswouderheide zijn er verschillende te zien.
Tegenwoordig zijn nog echte pingo’s te vinden in koude gebieden als Alaska, Canada, Groenland en Siberië. “
Het is wel opvallend, dat men in de volksmond bijna nooit van pingoruïne spreekt. Men zegt meestal ven, dobbe, pingo of zelfs meer(tje) als het feitelijk een pingoruïne is. Zou de reden daarvan kunnen zijn dat Pingoruïne lastiger in de mond ligt?
Poldermolen
In de Nederlandse Molendatabase (www.molendatabase.nl) vonden we een link naar een poldermolen bij het Ganzemeer in Bakkeveen. Deze Spinnenkopmolen die eveneens de naam Ganzemeer droeg, werd er in 1826 geplaatst en was voor 1887 alweer verdwenen. Op het bijgevoegde kaartje wordt aangegeven waar de molen ongeveer stond volgens een oude tekening in de molendatabase.
Eind 17e eeuw ging men de venen ontginnen. Ten tijde van die ontginning kreeg het dorp Bakkeveen, ca. vanaf 1680, zijn huidige vorm langs de vaart.
In de 19e eeuw werden er stroken landerijen (ca. 400 m. diep) aan weerszijden van de vaart in cultuur gebracht. Landerijen die verder van de vaart lagen veranderden weer in heide.
Als we dan vervolgens met sprongen door de tijd gaan, zien we dat ook de resterende heide grotendeels tot landbouwgrond ontgonnen werd en dat er cultuurbossen werden aangeplant.
De ruilverkaveling it Keningsdjip zorgde halverwege de 20e eeuw voor een behoorlijke herinrichting van het ons omringende landschap.
Ganzen
Het is niet moeilijk te raden waar het Ganzemeer zijn naam aan te danken heeft… Deze pingoruïne op de hoek van de Biskop en Nijefeansterwei onder Bakkeveen is namelijk een gewilde pleisterplaats voor allerlei soorten ganzen. En dat is het al van oudsher, gezien het feit dat de naam Ganzemeer al in 1826 op een oud kaartje voorkomt. Of de naam nog verder teruggaat in de geschiedenis hebben we niet kunnen achterhalen. Maar het zal ons niet verbazen als dit hetgeval is.

Wat voor ganzen worden er tegenwoordig zoal bij het Ganzemeer aangetroffen?
Met deze vraag gingen we naar vogelkenner Koert Scholten, die het volgende vertelde: Het Ganzemeer en omgeving herbergt vooral in het winterhalfjaar Kol-, Toendrariet- en Grauwe ganzen. Bovendien vaak enkele tientallen Canadese ganzen. Ook zitten er wel eens Nijlganzen. De aantallen variëren.
In de zomer zijn er altijd wel Grauwe ganzen te zien, zo ongeveer 50 – 80 stuks en idem dito Canadese ganzen tot maximaal 30 stuks.
De aantallen Kolganzen in de winter komen soms wel op 200 stuks uit en de Toendrarietgans tot 150 exemplaren. Daarnaast zijn er overwinterende eenden. Wilde eend tot 100, Krakeend hoogste aantal 60 en Smient af en toe tot 100 stuks.
Een enkele keer zie je er wat Slobeenden, Kuifeenden, Wintertaling en zelfs incidenteel een Grote Zaagbek, Brilduiker en Nonnetje. Ook zitten er bij tijd en wijle Aalscholvers. (info eind 2025)
Er valt regelmatig wat te zien in-en rondom het Ganzemeer, het is zeker een kijkje waard. Zelf vind ik het vooral leuk wanneer de Toendrarietganzen er weer neerstrijken. De Toendrarietganzen -en ja de naam zegt het alweer- broeden op de toendra’s van Rusland en Siberië. De voorhoede van de Toendra’s arriveert hier in oktober, de rest in november en ze vertrekken in februari of uiterlijk maart (bij koude winters). Foeragerend worden ze vaak op landbouwgronden met oogstresten gezien.

Reacties