HVB Ald Bakkefean

Historische beschrijving Bakkeveen:
Bakkeveen (Bakkefean) is een dorp in de gemeente Opsterland in de provincie Friesland. Het dorp werd het eerst genoemd als de plaats waar in 1231 de Friezen en Drenten een veldslag hadden uitgevochten. Tijdens de Tachtigjarige oorlog werd het dorp door de Spanjaarden verwoest. Het huidige Bakkeveen is ontstaan tijdens de veenontginning in 1660. Bakkeveen ligt temidden van een bosrijk gebied met afwisselende heide- en zandvlakten en is gelegen op de grens met Groningen en Drenthe. Een drietal organisaties beheert de gebieden rondom Bakkeveen: Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en It Fryske Gea. Vanuit een schaapskooi op de aangrenzende heide van Allardsoog wordt regelmatig de heide van Bakkeveen door een schaapskudde begraasd. Daarnaast lopen er Exmoor-ponies en Schotse Hooglanders vrij in het heidegebied rond.

Bakkeveen ligt dan wel in Friesland, de natuur doet anders vermoeden. Geen open landschap met meren, maar een bosrijk zandgebied. Het natuurgebied bestaat uit tientallen grote en kleine terreinen die aan elkaar grenzen en zo een geheel vormen. Een bijzonder element in het landschap zijn de houtwallen. Sommige zijn heel oud. Ze dienden om het vee binnen, en wilde dieren buiten te houden. Opvallend zijn ook de dobben. Dit zijn ronde meertjes waar soms een wal omheen ligt. Sommige zijn ontstaan tijdens de laatste ijstijd. Andere zijn gegraven als drenkplaats voor het vee. Wat de omgeving van Bakkeveen eigenlijk echt bijzonder maakt is de verscheidenheid. Bossen, heideterreinen, stuifduinen en open gebieden wisselen elkaar verrassend af .

Landschap:
De aanleg van deze bossen begon in de 18e eeuw en vond vooral in de 19e eeuw plaats. Daarvoor was het landschap van Opsterland open en ruim, waarin de dorpen als groene oasen verspreid lagen aan weerszijden van het Ouddiep. Onafzienbare heidevelden bepaalden het beeld van die tijd met aan de noord- en zuidkant van de gemeente de ontoegankelijke hoge venen. In de 18e eeuw werd dit hoogveen in het groot afgegraven door de veencompagnieën. De o.a. door de afvoer van de turf uit deze hoge venen gegraven vaarten en wijken veranderden het landschap radicaal. In die tijd zijn ook de dorpen Gorredijk, Bakkeveen en het tegenwoordige Frieschepalen ontstaan. Dorpen als Luxwoude, Langezwaag, Kortezwaag, Terwispel, Lippenhuizen, Hemrik, Wijnjeterp en Duurswoude aan de zuidzijde en (Oud)Beets, Beetsterzwaag, Olterterp, Ureterp en Siegerswoude aan de noordzijde van de gemeente zijn van veel oudere datum. Die oudere dorpen waren dorpen van boeren, die het vooral moesten hebben van akkerbouw (rogge en boekweit). Wel hield men ook koeien en schapen, maar deze werden vooral gehouden vanwege de mest. Het hooi voor dit vee werd voornamelijk uit het onbewoonde gebied in het westen van de gemeente gehaald langs vaste wegen (hooiwegen). Dit lage westen is van vóór 1000-1100 ná Chr. wel bewoond geweest, maar door wateroverlast is de bevolking uit dit gebied naar de hoger gelegen dorpen uit het oosten verhuisd.

In het begin van de 19e eeuw is men begonnen met het winnen van turf uit deze hooilanden. Het ging hier om laagveen. De ondernemers en de vaste arbeiders, die dit laagveen afgroeven waren voor een groot gedeelte afkomstig uit de kop van Overijssel (de zgn. Gietersen). Zij zijn de grondleggers van de dorpen Tijnje en Nij Beets. De familienamen Bron, Lok, Krikke, Meester, Schokker, Dam, herinneren nog aan die Overijsselse voorouders. Ook Luxwoude ondervond de invloed van deze immigranten. In 1749 telde dat dorp 9 inwoners in 1815 waren het er 311, waarvan het merendeel in 1855 al weer vertrokken was.

It Mandefjild:
Ligt op de grens van Fryslân en Drenthe en is rijk aan variatie. Er is een stuifzandgebied, de Bakkefeansterdunen, er is het bos van Ald Bakkefean, er ligt een uitgestrekt heideterrein, de Heide fan Allardseach, er is een grote poel, de Harmsdobbe, en de oude verdedigingswal, de Landweer, markeert de grens met Drenthe. Waar zoveel verschillende soorten landschapstypen voorkomen, is een natuurgebied per definitie rijk aan verschillende planten en dieren.

De Bakkefeansterdunen:
Is een grote uitgestorven vlakte, omringd door (eikenhakhout) bos waar onder andere gewone salomonszegel voorkomt, is deels spontaan ontstaan en deels aangelegd Het bos is rijk aan vogelsoorten zoals de Grote bonte, de Groene en de Zwarte specht, de Boomklever, de Goudvink, Wielewaal, Staartmees en het Goudhaantje. Ook broeden er roofvogels, waaronder de Sperwer, de Torenvalk, de Buizerd en de Havik. Rondom de zandvlakte staan prachtige bomen. Vroeger lieten de boeren op deze zandgrond, die te arm was voor akkerbouw, schapen grazen. Zo ontstonden de heidevelden. Grove dennen en berken aan de randen van de zandvlakten komt de voor stuifzanden karakteristieke pionierbegroeiing voor. Hier en daar liggen droge heideterreintjes met bijzondere grassoorten als Tandjesgras, Borstelgras en Schapegras De stuifduinen zijn ontstaan door enorme zandverstuivingen in de laatste ijstijd, op de Heide van Allardseach groeien verschillende soorten heide: de Kraakheide, de Dopheide en de Struikheide

Heide fan Allardseach:
Op de Heide fan Allardseach herinneren de zogenoemde holle paden aan de tijd dat er nog geen verharde wegen waren. Er liepen, dwars door de heide, paden in de richting van Drenthe. Door het veelvuldige gebruik sleten ze uit en stoven ze af tot aan de leemlaag van de bodem. Door de eeuwen heen zijn ze bewaard gebleven. Ook de Harmsdobbe herinnert aan lang vervlogen tijden. Aan de laatste ijstijd, om precies te zijn, die pingo’s in het Friese landschap achterliet. De hoogtes in het gebied variëren van 4,70 tot 6,90 meter. Ze zijn ontstaan door enorme zandverstuivingen in de laatste ijstijd. In die tijd zijn ook de pingo’s gevormd door de ondergrondse werking van het ijs. Resten van pingo’s zijn de vennen, de Harmsdobbe en de Pûpedobbe. Op de heide liggen nog enkele grafheuvels uit het Neolithicum (2000 – 1500 v.Chr.). Verder is duidelijk herkenbaar in het terrein de Holle weg, een overblijfsel van vroegere paden en wegen over de heide die door veelvuldig gebruik uitgestoven zijn.

De Landweer:
De Landweer is een historisch monument. Het is een oude verdedigingswal op de grens tussen Friesland en Drenthe. De Landeweer is een oude verdedigingswal op een zandrug tussen hoge venen, duidt er op dat deze ooit – zoals al uit de naam is af te leiden – van groot strategisch belang is geweest. De oorspronkelijke wal is, zo wordt verondersteld, al in de 15e eeuw opgeworpen en het is zeker dat hij zich ver naar het noorden uitstrekte. Een groot deel van de Landweer lag in heideterrein dat later helaas ontgonnen is. Het resterende gedeelte is nog ongeveer een kilometer lang en vormt een fraai lijnvormig element in het landschap. Het is het eerste terrein van It Fryske Gea. Voor It Fryske Gea is de Landweer van bijzondere betekenis. Deze verdedigingswal is het oudste bezit van de vereniging.

De wal moet ooit van groot strategisch belang zijn geweest, zoals ook uit de ligging is af te leiden: op een hoge zandrug, tussen hoge venen. De verdedigingswal, die al in de vijftiende eeuw is opgeworpen, was oorspronkelijk veel langer dan de huidige kilometer. In noordelijke richting doorsneed de Landweer een heideterrein dat later, met wal en al, ontgonnen is. Wat er van rest is een mooi hooggelegen lint in het landschap, dat begroeid is met loofbomen, vooral met berken. In de onderlaag komt veel brede stekelvaren en rankende helmbloem voor. Aansluitend op de Landweer en de Heide fan Allardseach ligt een een mooi gelegen pingo-ruïne uit de laatste ijstijd met daar omheen mooie begroeiing van gagel en geoorde wilg.In de Harmsdobbe is de aanwezigheid van de in Fryslân zeldzame slangewortel bijzonder. Het water van de dobbe is voedselarm, waardoor soorten als waterdrieblad, wateraardbei en veenpluis het langs de oever ook goed doen. Het water van de dobbe is een kraamkamer voor libellen. Er leven larven van onder andere de steenrode- en de bloedrode heidelibel.

Geschiedenis:
Door de Heide fan Allardseach liepen van oudsher paden richting Drenthe. Door het eeuwenlange gebruik zijn deze paden langzamerhand tot aan de leemlaag uitgestoven, waardoor ze nu herkenbaar zijn als holle wegen door de heide. Dat menselijke bewoning op de heide teruggaat tot ver in het verleden, blijkt uit enkele grafheuvels uit de nieuwe steentijd. De Harmsdobbe is een pingo-ruïne, een nog oudere herinnering aan de laatste ijstijd. In 1930 kwam de Landweer als eerste gebied in eigendom van It Fryske Gea. Het historische monument is een schenking van de eigenaar, Jarich van der Wielen.

Ald Bakkefean:
Het landgoed Ald Bakkefean wordt beheerd door het Fryske Gea. Het is een gevarieerd bosgebied met fraaie rechte lanen. Er staan prachtige eiken, berken en beuken en oude loof- en naaldbomen van zeer verschillende leeftijden en er groeien veel mossoorten.

Landgoed De Slotplaats:
In 1668 bouwde de familie Aylva een slot, het Blauwhuis genoemd. Dit Blauwhuis werd in 1838 afgebroken. In 1808 verrees achter het Blauwhuis een slotboerderij. Het geheel bestaat uit tweehonderd hectare bos, oude bomen, prachtige lanen en een bijzonder huis. Dit is kort omschreven het landgoed De Slotplaats. Dit landgoed ligt ten noorden van het dorp Bakkeveen. Landgoed De Slotplaats is nu een theehuis. De Slotplaats ligt temidden van bos.

Het oude productiebos bestaat voornamelijk uit fijnspar, douglas en Japanse lariks. Natuurmonumenten wil het omvormen tot een natuurlijker loofbos. De meeste planten- en diersoorten bevinden zich in de beuken- en eikenhakhoutbosjes. Op de Slotplaats kunt u reeën zien en roofvogels zoals de buizerd en de havik. Vleermuizen, zoals de dwergvleermuis, verblijven onder meer in de oude beuken en eiken langs de lanen in het noordoostelijke deel van het bos.

Reigerpoel:
In de winter zijn er verschillende mossen te vinden in het gebied. Op de oevers van de Reigerpoel groeit ’s zomers vochtige heide. Deze kwetsbare vegetatie dreigt te worden verdrongen door pijpenstrootje en pitrus als gevolg van verdroging. Daarom is Natuurmonumenten bezig de grondwaterstand verhogen en de natte delen herstellen en uitbreiden.

De Sterreschans:
De Schans langs de Beakendijk (een voormalige eeuwenoude handelsroute) is een kleine sterrenschans, denkelijk is de schans gebouwd in de zeventiende eeuw om de Beakendijk te bewaken die liep als enige door het drassige veengebied. De sterrenschans is al snel verwaarloosd. Bij de bebossing in de negentiende eeuw zijn de wallen beplant met bomen. In 2002 is de schans door Natuurmonumenten weer gerestaureerd . Schansen waren verdedigingswerken van permanente aard of van tijdelijke aard. Schansen van permanente aard zijn vaak onderdeel van een linie. In het Noorden bestond zo’n waterlinie, die overigens minder bekend is als de Hollandse Waterlinie. Deze Friese linie bestond uit meren, onder watergezette landerijen, riviertjes en moerassen. De zwakke plekken in de verdedigingsgordel waren de hogere zandruggen. Juist hier vinden we de schansen. Bij het drie provinciënpunt zijn in 1593 tijdens de Tachtigjarige Oorlog 3 schansen aangelegd: de Zwartendijkster-schans of Eenerschans, de Breebergschans bij Donkerbroek en de schans bij Friesche Palen. De beide laatsten zijn geheel verdwenen. In Friesland zijn alleen de resten te vinden van de Bekhof-schans bij Oldeberkoop. Althans dat was het geval tot de ontdekking van de schans bij Bakkeveen. Langs de Bakendijk (Beakendyk), een verbindings-weg tussen Norg, via Een en Bakkeveen naar de Friese steden, lag de fraaie sterrenschans. Op de Topografische atlas uit 1851 -1855 staat hij ook afgebeeld.

Dat er heel lang geleden al mensen woonden in dit deel van Fryslân, is duidelijk geworden door archeologische vondsten. Er zijn spullen opgegraven uit de Hamburgcultuur, van 13.000 tot 10.500 voor Christus. De grafheuvels die nog in dit ge bied te vinden zijn, zijn wat minder oud. Ze dateren van het Neolithicum, 4000 tot 3500 jaar geleden. Alle gebieden zijn vrij toegankelijk op de zandvlakte en op de verschillende fiets- en wandelpaden die de bezoekers er langs en door leiden.

Nieuws

29-10-2017 De tand des tijds
17-02-2011 Dorpsfilms Bakkeveen in 1953 en 1965