“In earrebarre hâldt net fan fleanen”
De ooievaar is weer helemaal terug in Fryslân. Langs de weg van
Beetsterzwaag naar Gorredijk zitten alleen al tientallen nesten.
Maar opeens is er ook een kleine kolonie in Bakkeveen. Hoe kan
dat? “It komt op de tamtam fan de earrebarres.”
Vorig jaar waren er in Bakkeveen minder dan tien nesten te vinden. Dit
voorjaar zijn het er plots meer dan twintig. Een kleine invasie van ooievaars.
De nesten zijn te vinden aan de stille kant van de vaart richting
Siegerswoude en vooral rondom restaurant De Slotplaats waar alleen al tien
nesten zijn gebouwd.
Haye Folkertsma (68) van Stichting It Eibertshiem uit Earnewâld kijkt zijn
ogen uit in Bakkeveen als hij links en rechts de nesten ontdekt. Overal om De
Slotplaats heen zitten ooievaars te broeden. Een paar op oude nesten, maar
de meesten op pas gebouwde nesten. Sommige zitten op half gekapte bomen,
zodat de ooievaars en hun jongen duidelijk zichtbaar zijn, en weer anderen
zitten hoog verscholen tussen de bladeren. Haye houdt zich al tientallen
jaren bezig met de ooievaar en loopt goedkeurend rond. “Earrebarres
meitsje in nêst wêr’t se in goed ύtsicht ha en wêr’t se maklik oanfleane
kinne.”
Hij is zelf ook verbaasd waarom er opeens zoveel ooievaars in Bakkeveen zijn
neergestreken. Volgens hem zou het kunnen dat ze vanaf Beetsterzwaag en
Lippenhuizen langs het Koningsdiep hiernaartoe getrokken zijn. “Se nimme
oaren mei nei in goeie biotoop, harren leefgebied. It komt dan op de
ooievaars tamtam.”
In Beetsterzwaag is de rek er de laatste jaren uit en is het aantal nesten
vrijwel gelijk gebleven. Vorig jaar waren daar 56 nesten en 81 jongen.
Gemiddeld komen er vier jongen per nest, maar meer dan de helft van alle
ooievaarsjongen overleeft het niet. Velen sterven een vroege dood. De
kwetstbaarste periode is juni als het koud is en veel regent. “De jongen
hawwe dan noch gjin fearren, mar binne wol al ridlik grut. De âlden kinne har
net mear goed tadekke en sa gean folle dea.”
Een goed leefgebied voor een ooievaar is drassige weidegrond waar veel
regenwormen, slakken, mollen en muizen voorkomen.
Vlakbij De Slotplaats loopt een ooievaar geconcentreerd door het weiland, waarbij hij elke tien
seconden iets weggrist tussen de grassprieten. Vooral regenwormen zijn
geschikt voedsel voor de hongerige jongen. Een mol of muis staat alleen op
het menu van de ouders. “Minsken tinke altyd dat earrebarres kikkerts en
jongen fan weidefûgels opite, mar dat ha ik yn al dy jierren selden sjoen.”
Als de jongen groot genoeg zijn, oefenen ze hun eerste vliegoefeningen
boven het nest. Ze springen omhoog en slaan voor het eerst hun vleugels uit
en vliegen weldra van het nest. De ouders voeden de jongen nog een paar
weken en dan moeten ze zelf voedsel zien te vinden in de weilanden om het
nest heen. “Earrebarres gean maksimaal 2,5 kilometer fan harren nest ôf om
iten te sykjen. Fierder gean se net. In earrebarre hâldt net fan fleanen. Dat
kostet te folle enerzjy.”
Als er dus teveel ooievaars in een klein gebied zitten, betekent dat dat er te
weinig voedsel voor hen in de nabijheid is. Verder van het nest af naar
voedsel zoeken, willen ze niet. Dus moet er ergens anders een nest gebouwd
worden waar wel voldoende voedsel is. Maar ooievaars zijn erg trouw aan hun
nest en verhuizen niet snel. Vrijwel elk jaar komen de ooievaars terug op hun
oude nest en gaan het elk jaar weer verbouwen en uitbreiden. Uiteindelijk
kan een nest wel honderden kilo’s wegen.
De jongen vertrekken in het najaar naar warmere oorden zoals Spanje en
Portugal of nog zuidelijker naar Afrika. De ouders vertrekken later. Ze
vliegen over land en steken daarom bij Gibraltar over naar Afrika, zodat ze
niet over de Middellandse Zee hoeven te vliegen. “De jongen bliuwe twa jier
yn Afrika en komme dêrnei pas wer werom. De nije earrebarres hjir yn
Bakkefean binne dus net de jongen fan de earrebarres dy’t hjir al sieten.”
Niet alle ooievaars overwinteren in het warme zuiden. Een klein deel van de
Friese ooievaars blijft in Nederland en brengt de winter door in de nabijheid
van vuilstortplaatsen in bijvoorbeeld Brabant. Daar is zelfs in de winter
voldoende eten te vinden. In Februari komen ze dan weer terug naar
Bakkeveen en Beetsterzwaag waar ze de andere ooievaars weer treffen die
helemaal uit Afrika zijn komen vliegen.
De winterse trektocht lijkt op een georganiseerde groepsreis. Ooievaars uit
allerlei dorpen in Fryslan spreken met elkaar af of komen elkaar onderweg
tegen op een pleisterplaats. “Ik ha it wol meimakke dat ik de iene dei wol 50
seach en dat se in dei letter allegear fuort wienen.”
Remco Hofman


Foto’s Johan Visser

Reacties